De bekerfinale

Deze dag, een finale die ik verzin

Opstappen op de boot is het begin

Kaj, Joost en Kevin een lekker biertje op

Jaap de dirigent klimt de tafel op

Lotte en Wendy halen baco, bier en cola

Prinsie en Paul en Ricky vrezen een drama

Elke honderd meter of iets later

Klinkt de UUUUU over het water

De zon kleurt de boot rood wit

Witte lijven kleuren rood voor wie in zon zit

Wij roepen ‘één ding is zeker’

Uuuuutreg wint de beker

Zoet doet wat hij doen moet

Hij stopt alles met hand en voet

0 – 0, nog 10 seconden, hoekschop

Maarel neemt hem op zijn kop

De bal gaat tussen de palen

Wij juichen en kakkerlakken balen

Die beker is voor FC Utrecht

Onze spelers winnen dit gevecht

Zo zal het in de finale gaan

De kakkerlakken gaan er aan

Misschien pas over een jaar

Staat die beker daar voor ons klaar

Dakloos

Vorige week besloot ik van de stille avond in Utrecht en de super maan te profiteren. De stilte was wezenloos en het hart leek uit de stad weggerukt. Desondanks heb ik mooie en normaal gesproken onmogelijke foto’s gemaakt. Zomaar uit het niets zag ik vanuit mijn ooghoek dat er een dame mijn richting op kwam gelopen. Zo’n dame die je kan uittekenen na een avond schouwburgbezoek. Keurig gekleed, en waar niets fout mee kan gaan, met dit verschil dat zij alleen was in deze wezenloze stille stad. Zij was een jaar of vijftig schat ik. 

Op een afstand sprak zij mij aan: ‘Mijnheer? Ik ben dakloos kunt u mij helpen aan wat kleingeld voor het nachtonderkomen?’ Zo! Die had ik niet aan zien komen. Ik moest even snel schakelen voor ik kon vertellen dat ik haar hier niet mee zou kunnen helpen. Ik heb eigenlijk nooit los geld bij mij omdat ik alles met pin betaal, maar de echte reden dat ik geen geld geef is het verslavingsprobleem dat ik in mijn directe omgeving heb meegemaakt. 

Ik vertelde haar dan ook dat ik nooit geld geef. Zichtbaar teleurgesteld antwoorde zij netjes ‘Ok, dank u wel.’ Zij draaide zich om en liep verder de stad in, mij vol vraagtekens achterlatend. Ik voelde mijn niet schuldig want geld geven kan gewoon niet wanneer je niet weet hoe iemand in zo’n situatie is beland. Ik nam mij voor de volgende keer een zak krentenbollen mee te nemen. Eten geven mag natuurlijk altijd, daar help je ze mee. Dagenlang bleef het beeld van deze keurige dame op mijn netvlies hangen. Wat zal haar verhaal zijn?  

Bij het maken van foto’s

Van een stad stil en wezenloos

Kwam daar een dame aangelopen

Goed gekleed, haar ogen vroegen vertrouwen

Mijnheer, ik ben dakloos

En ik was sprakeloos

Deze keurige mevrouw

Stond gewoon in de kou

Kunt u wat los geld missen

Ik had alleen een pas om te pinnen

Ik geef ook nooit geld

Dank u, zei ze teleurgesteld

Ik was uit het veld geslagen

Hoe had dit haar kunnen gebeuren

Zo netjes verzorgd, goed gekleed

En niemand die haar naam weet?

Geleerd van mijn geschiedenis 

Weet ik dat geld geven niet goed is

De volgende keer help ik graag even

Door simpel krentenbollen te geven

domkerk utrecht

Corona Utreg komp eraon

Geen mens op straat
Je bent voor niemand te laat
Fietsend door Utrecht
Komend van Overvecht

De Neude leeg en verlaten
Je ziet niemand gezellig praten
Geen drukte bij het cafe
Niemand aan het bier of rosé

De Zakkendragerssteeg
Is al dagenlang leeg
Gezelligheid is vervangen
De leegte is ons aan het stangen

Leunend tegen de Domkerk
Hoor ik gezang? Dat lijkt mij sterk
De stilte zoekt naar geluid
Mijn oren stuur ik alle kanten uit

Plots worden mijn oren verwend
Een luid telefoontje dat iedereen kent
En waar iedereen zich aan stoort
Maar gelukkig heb ik iemand gehoord

De stilte is verbroken
Een aanval op alle verboden
Met afstand gaan we je verslaan
Corona let op, Utreg komp eraon

Jan en Toon

Wij  woonden in Utrecht op de Nieuwe Keizersgracht en Jan woonde aan de overkant aan het Zwartewater, zo tussen 1966 en 1972.

Die ouwe (mijn pa) en Jan dronken graag een biertje. Jan verdiende zijn geld wat makkelijker dan die ouwe van mij. Hij werkte in de melkfabriek en later in de bouw als koppensneller en upperman. Hij stond soms dagenlang met een kango op heipalen in te hakken om het betonijzer vrij te maken.

Jan en die ouwe van mij waren goed bevriend en zaten regelmatig samen in de kroeg. Daar zopen zij zich vaak een stuk in de kraag. Bij thuiskomst kregen zij vervolgens de grootste bonje met moeder de vrouw. Ook deze avond was het weer zo ver.
‘Toon, wat dacht jij ervan als wij van auto  gaan ruilen’, opperde Jan. Die ouwe schoot in de lach. ‘Jan jochie, jij spoort niet’. Want Jan reed in een grote Jaquar en die ouwe van mij in een oude VW Kever. Maar Jan hield voet bij stuk en om van het gedram af te zijn stemde die ouwe toe. Morgen is Jan weer nuchter en dan breng ik die Jaquar weer netjes terug, dacht hij, en hij had meteen een mooie gelegenheid   om in een Jaquar rijden. De sleutels werden uitgewisseld en beiden stapten ze in hun ‘nieuwe’ bolides. In die tijd gebeurde het vaak dat men met drank op achter het stuur kroop.
Die ouwe reed een flink stuk met de Jaquar, want zo’n kans kreeg hij nooit weer. Hij wist niet beter dan dat hij de Jaguar de volgende dag weer terug zou brengen.
Aldus geschiedde dat de volgende morgen die ouwe de Jaquar naar de overkant reed en bij Jan naar binnen liep. ‘Jan, wij hebben gisteren met onze dronken kop de auto’s geruild, maar ik neem aan dat jij je Jaquar weer terug wilt’. Jan keek die ouwe aan met een blik van ‘ben jij wel goed wijs?’  ‘Moet je luisteren pik’, begon Jan, ‘ik was wel dronken maar ik weet echt wel wat ik gedaan heb. We hebben geruild en die Jaquar nu van jou’.

Samen lieten ze de auto’s overschrijven en die ouwe was de trotse eigenaar van een Jaquar. Hij wilde meteen met het hele gezin een stuk rijden. Die ouwe vond het prachtig, je zag hem genieten. Totdat hij moest tanken, die volle tank kostte hem een vermogen en hij had direct door dat die Jaquar verkocht moest worden.

Diezelfde avond stond er een advertentie in het Utrechts Nieuwsblad en die week werd de Jaguar verkocht. Die ouwe bracht de helft van de opbrengst naar Jan, die dit gebaar wel kon waarderen. Zelf kocht die ouwe weer een VW kever en de vriendschap tussen die twee bleef als vanzelfsprekend.

De één had een Jaquar, de ander een Kever
Veel te veel gedronken, dat is zeker
Zeg Toon, zullen we ruilen?
Nee Jan, van ruilen komt altijd huilen


Door Jan zijn gedram
Kwam er toch het ruilen van
Met een grote omweg kwam hij thuis aan
Niemand vroeg: waar komt die auto vandaan

De volgende morgen bracht hij hem terug
Maar Jan rechtte zijn rug
We hebben geruild
De drank heeft mijn geheugen niet misbruikt

Die Jaquar is van jou
Want mijn belofte blijf ik trouw
De tank wat te groot voor die ouwe zijn portemonnee
Uitendelijk ging de Jaq met een ander mee

Heb je genoten van dit verhaal, lees mijn boek dan eens. De opbrengsten van het boek gaan naar de YWC KLINIEK. 
Het boek is te bestellen op:

https://www.boekenbestellen.nl/boek/toon-de-woordenbende/31401


De wandeling naar de bioscoop.

Eerst Pinksterdag besloten wij naar de film ‘Rocketman te gaan en i.p.v. met de bus of fiets zijn we lopend vanaf Overvecht naar het Jaarbeursplein gegaan. Het idee was prima en het weer nog beter. Wanneer je wandelt zie je meer, ook de dingen of dieren die je eigenlijk niet wilt zien, maar toch ook bij de stad horen. Net voorbij het groot winkelcentrum van Overvecht zien we bij het stadsverwarmingsgebouw twee ratten op het gemak tussen de struiken struinen. Ik kijk er even naar en bedenk mij dat ik vroeger aan het Zwarte water ratten met een luchtbuks dood schoot. Die heb ik nu niet bij me, dus lopen wij maar weer door. Op de Einsteindreef passeren wij de RWZI Utrecht, deze Rioolwaterzuivering is net op de schop gegaan en volledig vernieuwd. Dit ging niet zonder slag of stoot. Ik werk bij het HDSR en ik weet hoe hard hieraan gewerkt is. We gaan verder en slaan linksaf het Zandpad op. Hier heb ik zoals iedereen de nodige herinneringen liggen. In de tijd dat ik voor de Provincie werkte deed ik daar oppervlaktewatermetingen. Ik moest op bepaalde punten in de provincie de waterstand meten. Dit gebeurde vanaf een ingemeten punt aan de waterkant en met een meetlint werd de de afstand van de kade tot aan het water gemeten en zo kon je dan de waterstand berekenen. Natuurlijk was zo’n punt ook aan het Zandpad tussen 2 boten geplaatst. Deze metingen voerde ik altijd op vrijdagmiddag uit. De dames op de boot boden mij vrijwel altijd een drankje aan, die ik dan ook meestal op de leuning van de brug tijdens een gesprek met ze opdronk. Ik werd dan ook regelmatig aangesproken door bekenden die daar ‘toevallig’ moesten zijn en mij daar gezien hadden. Wanneer ik antwoordde dat ik daar voor mijn werk was, werd er altijd een beetje naar mij gekeken van ‘dat zal wel’ en op mijn vraag wat zij daar dan deden kreeg ik vaak maar een vaag antwoord.

Al mijmerend wandelen wij verder en lopen over de Rode Brug langs het oude politiebureau en het Leugenaarsbankje. De tekst op die bank van Ingmar Heytze wil ik jullie niet onthouden.

Het maakt me niet uit wat je hier hebt gehoord. Ze zeggen maar wat ze willen, daar ga ik niet in treden. Ik weet alleen dat het allemaal niet waar is of in elk geval niet allemaal. Dit zijn de feiten: de leugens en de waarheid lopen naast elkaar de stad uit, richting Zandpad. Zegt de leugen: ‘ik was niets van plan. Vraagt de waarheid: ‘Mag ik in het midden lopen?

Wanneer je wandelt zie je veel en via het Ondiep en de Amsterdamsestraatweg belanden wij aan het opnieuw aangelegde singel ter hoogte van het Paardenveld. Langs de singel is een prachtig wandelpad aangelegd en in de verte zie ik de gevlekte uitstulping van het nieuwe imposante Hoog Catharijne. ‘Zie ik dit nu goed, er lijkt wel een kruis bovenop het roze, blauw en grijs  ‘gevlekte’ gebouw te staan?’ Wanneer ik dichterbij kom blijkt dit het hijswerk van het glazenwassersbakje te zijn. Ik heb er vele fantasieën op los gelaten omdat dit gebouw zich er voor leent. Het heeft zich als het ware als een groot schip over de singel tussen Hoog Catharijne gewrongen. In het begin moest ik aan dit gebouw wennen, maar ik ga het steeds mooier vinden en bij Utrecht horen. We wandelen door naar de Oudegracht en gebruiken daar wat op een terras aan de werf. Ik geniet naar boven kijkend van de gebouwen zoals Hotel Kasteel van Antwerpen en de aangrenzende gebouwen. Ik realiseer mij steeds weer dat ik in een prachtige stad woon. Na een paar drankjes vertrekken wij richting Jaarbeurs, want dat is waar ook, door alle schoonheid zou je bijna vergeten dat wij onderweg zijn voor een bezoek aan de bioscoop.

 

Van Overvecht naar het Jaarbeursplein
Verrast door de ratten die hier eigenlijk niet zouden moeten zijn
Over het Zandpad waar je nu wel gezien mag worden
Net over de Rode Brug het oude politiebureau waar je tijdelijk kon worden opgeborgen


Vlak daarvoor de Leugenaarsbank voor jonge en oude leugenaars
Een overdekte bank waar je alles kwijt kan, leugens en verhalen van oude overwinnaars
Soms zijn ze waar maar vaak erg sterk, ze zorgen voor een lach of een lange discussie
Elke dag of later komen zij weer terug, ook al eindigde het laatste gesprek in een kleine ruzie

Ruzies, discussies ze horen erbij en een kleine ruzie zal de vriendschap nooit verstoren
Vaak zijn ze rustig, er wordt wat gelachen, praten zij luid dan kan je ze twee straten verder horen
Via het Ondiep en de Straatweg kom je aan het nieuw aangelegde singel terecht
Het nieuwe singel is één van de parels van Utrecht 



Utrecht mijn stad waar van alles gebeurt, goed en slecht
We zeiken over het mozaïek van het Vredenburg en de tram omdat hij nog niet aankomt in Utrecht
Maar stiekem zijn wij verschrikkelijk trots op ons stadje met zijn grachten en de Dom
Utrecht zit in je bloed, je hart en je hoort oan het proaten wel of je hier vandoan komp



Heb je genoten van dit verhaal, lees mijn boek dan eens. De opbrengsten van het boek gaan naar de YWC KLINIEK. 
Het boek is te bestellen op:

https://www.boekenbestellen.nl/boek/toon-de-woordenbende/31401

De Bunnikside en de meermanskaart

In de tijd dat ik veertien jaar oud was, bezocht ik al uitwedstrijden van FC Utrecht. Dat was toen niet georganiseerd, wij hadden in die tijd geen whatsapp om af te spreken. Dus na de laatste wedstrijd werd een verzameltijd op het station afgesproken. Vaak werd dat om een uur of elf op het Centraal Station. Meestal waren we met een man of dertig of het moest zo zijn dat we tegen Ajax of Feyenoord moesten spelen, dan waren wij met een paar honderd man. 

In die tijd kon je een meermanskaart kopen, dat was een kaart waarop je met vijf man kon reizen. Die kaart was goedkoper dan een los kaartje. Zeker op de manier waarop wij hem gebruikten, wij kochten er maar één en reisden er met dertig man op.

Hoe deden wij dat? Nou dat was niet zo moeilijk, je kunt het je niet voorstellen, maar heel vaak was er geen politiebegeleiding aanwezig en wij wisten natuurlijk best dat een conducteur geen zin in gedoe had. Bij controle van de conducteur lieten wij netjes de kaart zien, hij telde de vijf personen en controleerde de mensen aan de andere kant. Wij zorgden ervoor dat wij achter elkaar zaten en de kaart werd vlot doorgestoken naar de stoelen achter ons. Zo ging dat door tot iedereen gecontroleerd was. Soms konden we niet iedereen achter elkaar kwijt en moesten er een paar zich verstoppen onder de banken. Sommigen van die gasten onder de bank wilden wel eens weten hoever ze konden gaan en tijdens de controle trokken ze aan de broekspijpen van de controleur. Vaak gaf deze geen kik, een ander keek even op en zei dan: ‘je kan beter op de bank gaan zitten dan op de vieze vloer gaan liggen’. En dan had je nog degene die dan wél wilden bekeuren, maar wat begin je tegen een man of dertig die om je heen komen staan. Kortom het reizen was vaak voordelig.

Wij liepen niet in voetbalshirts, maar droegen sjaaltjes en vlaggen met bezemstelen als vlaggenstok. Dat was als het nodig was ook een handig wapen. Wij kwamen altijd zingend het station uit en gingen vaak lopend richting het stadion van de tegenstander. Langs die weg hadden wij veel bekijks en liet men ons met rust, omdat wij in die tijd al een behoorlijk slechte naam hadden.

Zo gingen wij ook eens naar een uitwedstrijd tegen Go Ahaed Eagles in Deventer. Aan het stadion stonden bij de ingang van die houten hokjes waar je kaartjes kon kopen. Wij wilden hier natuurlijk ook niet betalen. Dus werd het volgende afgesproken: bij het loket waar we de kaartjes konden kopen riepen wij dat de persoon achterin de rij zou betalen. Dat was vaak de grootste en de sterkste van ons allemaal en wanneer hij aan de beurt was vroeg hij om één kaartje. ‘Maar je zou toch voor allemaal betalen’, vroeg de man achter zijn loket dan. ‘Donderstraal op’, werd er dan geantwoord, ‘je denkt toch niet dat ik voor die gasten ga betalen? Ik heb alleen maar een kaartje voor mijzelf nodig’. Hij kocht dan een kaartje en wij waren allang binnen.

Net voor de tribune stond een houten winkeltje waar je drank, snoep enzovoorts kon kopen. Je raadt het al, binnen een mum van tijd was het winkeltje leeggeroofd.

Op de tribune hadden wij alle ruimte omdat de ‘thuis’-supporters ons de ruimte gaven. Zij stonden op gepaste afstand dicht tegen elkaar aan, waardoor wij erg ruim konden staan. Op een geven moment kwam de politie naar een van ons toe en vertelde dat de mensen van het winkeltje van de omzet moesten leven. De pet werd van de agent zijn hoofd gegrist en er werd bij ons, maar ook bij de supporters van de tegenstander langs gegaan. Ook al hadden deze supporters geen deel genomen aan onze jatpartij, deden ze toch maar geld in de pet. Zo werd de omzet van die mensen weer goed gemaakt. De agent ging met een pet vol geld naar de mensen van het winkeltje toe. Wij waren geen lieverdjes maar op zo’n moment moest er gewoon voor die mensen gedokt worden.

Dat wij geen lieverdjes waren bleek vaak na de wedstrijd waar wij dan de tegenstanders opzochten voor een matpartij. Dat ging er vaak hard aan toe met stokken en kettingen. Een aantal van ons werd altijd wel opgepakt. Op de terugweg had de trein regelmatig vertraging omdat er aan de noodrem werd getrokken. Dit had weer tot gevolg dat wij in Utrecht werden opgewacht door de Spoorwegpolitie met de nodige honden. Ook hier werden er altijd weer een paar van ons opgepakt.

Op maandag wisten wij niet hoe snel we een krant moesten kopen om te kijken wat er nu weer over de Bunnikside geschreven werd.

De Bunnikside in de zeventiger jaren, je kan er over denken wat je wilt, maar ik heb als jonge jongen veel geleerd over vriendschap en steun aan elkaar. Wij lieten elkaar niet vallen en kwamen altijd voor elkaar op, want het ging over vriendschap, clubliefde en aanzien. Wij waren jong en dachten zeker niet na over de gevolgen van onze daden. Dat kwam bij de meesten van ons later pas.

Met de trein naar een uitwedstrijd in de jaren zeventig
Een meermanskaart voor vijf personen telde bij ons voor dertig
Lopend naar een stadion, langs de kant van de weg keken inwoners verbaasd naar ons
Er was er maar één die een kaartje kocht, bij de man in het loket een verbaasde frons

Na de wedstrijd werd er vaak geknokt
En onderweg werd de trein regelmatig gestopt
Een aantal van ons moesten in een cel overnachten
Als troost stonden hun koppen in de kranten

Wanneer de kranten hun namen vermeldden
Waren zij een hele week lang de voetbalhelden

https://www.boekenbestellen.nl/boek/toon-de-woordenbende/31401

Het E-book met mijn verhalen kan je downloaden voor maar 2,95

https://www.boekenbestellen.nl/ePUB/toon-de-woordenbende/33927




Ode aan Utrecht

De Dom
De Gracht
Hij komt uit in de Vecht
En hoort bij Utrecht

Net als de Domkerk
Afgesneden van die mooie toren door een storm en slecht werk
De Singel gedempt en omgetoverd tot een autoweg
Jaren later stroomt het water toch weer dwars door Utreg

Hoog Catharijne werd omgedoopt tot Hoog Chagerijne
Het sjagerijn is verdwenen, trots wandel ik door een winkelcentrum van allure
Buiten heeft de markt zijn beste tijd gehad
Tussen de kraampjes valt vaak een gat

Op het Vredenburgplein wordt een mozaïek aangebracht
Of we het ooit zullen zien moet maar worden afgewacht
Twee minuten verder ligt de Oudegracht
Loop eens door naar De Neude, ga langs bij de Haas, mogelijk heeft hij al wat bedacht

Er is zo veel te vertellen over mijn mooie stad
De eerste ode over Utrecht, gewoon recht uit mijn hart