Dagboek CorToona

Ik heb de rare gewoonte om de krant op de WC te lezen. Dat doe ik dan ook op mijn gemak en lees hem vaak ook helemaal uit. Ik vouw hem daarna netjes op en wil een stuk wc papier pakken. KAK het wc papier op,  ‘MARION!‘ roep ik, ‘het wc papier is op! Pak jij even een rol voor mij?‘ 

‘Lees jij geen kranten’, antwoordt zij, en gaat in één ademstoot door. ’Er is in heel Utrecht geen wc papier te krijgen, je zal wat anders moeten verzinnen.’

Gelukkig had ik de zojuist gelezen krant voor mij liggen. Er was geen andere oplossing voor handen dan de krant als wc papier te gebruiken. Niet prettig maar wat moet ik anders. ’Gooi de oude kranten dan maar niet weg’, zei ik toen ik van de wc afkwam. Zij trok een vies gezicht en ik ontwaarde een van ‘over mijn lijk’ blik. Gelukkig had één van de buren een kleine zestig pakken in de huiskamer staan en Hij was zo aardig om één rol af te staan. Niet zonder de vraag te stellen ‘Wanneer breng je een nieuwe rol terug?’ ’Zo snel mogelijk buur’, antwoordde ik, ’nu weet ik ineens wat het is om zonder te komen zitten’. De ‘buur’ keek mij aan met een blik van ‘zoveel domheid heb ik nog nooit gezien’

Even later ben ik op mijn gemak naar de supermarkt gelopen en kon ik kiezen uit een reuze assortiment wc papier met variërend dikte en laagjes. Het leek de kamer van mijn buren wel.

Ik voelde mij enigszins schuldig en bekeken omdat ik maar twee pakken meenam. Een man die zijn zesde kar aan het vullen was, keek mij neerbuigend aan en liet merken dat ik daar de oorlog niet mee ging winnen. Ik liet hem merken dat men in crisistijd ook andere oplossingen kan bedenken. Vervolgens complimenteerde hem met zijn inzet voor de medemens. ‘Want deze voorraad ga je straks toch verdelen onder de mensen die het huis niet uit kunnen‘, vroeg ik hem. ’Ja’, antwoordde hij zachtjes.

Het regende zo mooi

Het regende zo mooi
Lopend op De Neude
Het regende zo mooi
De haas bleef maar denken

Over de fietsen aan zijn voeten
Niet rechtop maar liggend op de grond
En het regende zo mooi
Wandelend naar de gracht
Staat het kasteel Ouddaen er statig maar zeiknat

Ik moest blijven kijken
Want het regende zo mooi
Het Stadhuis net uit de steigers
Al het nieuwe is nat geworden
Het grachtwater liet kringen zien
Het Stadhuis beweegt in het water

Man, het regende zo mooi
De Dom warm ingepakt
Maar de druppels wisten hem te vinden
En het regende zo mooi
Nat van de regen
liep ik richting huis

Met een brok in mijn keel
Ik had zoveel moois gezien
Dat kon alleen op deze avond
Want op deze avond regende het zo mooi 

De Tuinbouwschool

In de zesde klas was Toontje wel een probleemgeval. Uit de Cito toets bleek dat mijn niveau erg laag was, Toontje kon niet leren en was ook niet handig. Er werd dus besloten dat ik maar naar de Tuinbouwschool moest gaan. Het maakte mij niet zoveel uit waar ik heen moest, misschien was het wel leuk. Dat leuke was er heel snel vanaf. Het was een oud houten schoolgebouw aan de Lomanlaan en in mijn klas zaten alleen maar kinderen van boeren en tuinders uit de Betuwe, dat waren geen kinderen waar ik veel mee had. Gelukkig zat er ook nog een jongen uit Utrecht in de klas, Martin. Hij kwam uit Zuilen en was net als ik een FC Utrecht supporter. Wij hadden al snel een klik en werden goede maatjes. Martin was met een hoop zaken wat wijzer en slimmer dan ik op die leeftijd, zeker op het gebied van spijbelen, rottigheid uithalen heb ik het  nodige van hem geleerd.
Zondags kwamen we elkaar tegen op de Bunnikside. Martin had toen een vlag van vijf meter lang, dat was in die tijd best bijzonder. Die vlaggen mocht je in die tijd gewoon aan een houten stok vastmaken en die houten stokken kwamen ons nog wel eens van pas. Daar kom ik  later in een andere Woordenbende wel op terug. Beiden hechtten wij veel waarde aan onze vrijheid, maar deze vrijheid moest dus wel ten koste gaan van de schooltijd. In die ‘vrije tijd’ hingen wij vaak in Hoog Catharijne rond of zwierven wat door de stad, wij vermaakten ons wel.
Zo ook in de praktijklessen op school. Dit betekende dat je moest leren spitten. De grond los gooien zodat er groenten of aardappelen konden worden gepoot. Volgens de leraren moest de grond helemaal vlak tot bijna waterpas zijn na het omspitten. Dat is iets wat mij nog nooit gelukt is en dat betekende dat je het hele stuk opnieuw mocht omspitten. De aardappelen waren voor ons meer een goed om mee te gooien naar voorbijgangers of leraren die niet keken. De directeur, in onze ogen een kampbeul, stond ons vaak langs de kant in de gaten te houden. Hij moest ons altijd hebben, dus besloten wij dat die ‘beul’ maar even een lesje moest worden geleerd. Wij droegen een aantal klasgenoten op om een paar aardappels in hun zakken te stoppen. Na de les verzamelden wij deze aardappels en slopen naar de auto van de directeur. Daar hebben wij zijn hele uitlaat volgestopt met aardappelen, die sloegen we met een hamer de uitlaat in om vervolgens op afstand te kijken wat er zou gebeuren. Die auto startte van zijn levensdagen niet. De motorkap ging open, de auto werd aangeduwd, niets hielp. En wij maar op een veilige afstand lachend toekijken. Na een klein uur verscheen de Wegenwacht. Op een gegeven moment kwamen ze er achter wat er aan de hand was. De volgende dag werd iedereen bij elkaar geroepen en werd er gedreigd met schorsingen wanneer de schuldigen zich niet zouden melden. Natuurlijk is er dan altijd eentje die de boel verlinkt en dat was dan ook gelijk het einde van onze carrière op de Tuinbouwschool, een school waar jongens zoals wij uit de stad niet thuishoren.

De Tuinbouwschool, een gebouw van hout
Je leerde wat er op het land werd verbouwd 
Aardappels groeien niet op een hobbelig veld
Alles groeit waterpas werd verteld

Van het schoolhoofd mochten wij niet met aardappelen gooien 
Want met eten ga je niet lopen klooien
In de uitlaat van zijn auto pasten vele aardappelen 
Hierdoor wilde zijn auto niet starten 

Er moest iemand boeten voor dit geintje
De directeur eiste van ons een seintje
Een verraad uit angst betekende een gewenste strop
En een korte Tuinbouwschool carrière zat erop

Jan en Toon

Wij  woonden in Utrecht op de Nieuwe Keizersgracht en Jan woonde aan de overkant aan het Zwartewater, zo tussen 1966 en 1972.

Die ouwe (mijn pa) en Jan dronken graag een biertje. Jan verdiende zijn geld wat makkelijker dan die ouwe van mij. Hij werkte in de melkfabriek en later in de bouw als koppensneller en upperman. Hij stond soms dagenlang met een kango op heipalen in te hakken om het betonijzer vrij te maken.

Jan en die ouwe van mij waren goed bevriend en zaten regelmatig samen in de kroeg. Daar zopen zij zich vaak een stuk in de kraag. Bij thuiskomst kregen zij vervolgens de grootste bonje met moeder de vrouw. Ook deze avond was het weer zo ver.
‘Toon, wat dacht jij ervan als wij van auto  gaan ruilen’, opperde Jan. Die ouwe schoot in de lach. ‘Jan jochie, jij spoort niet’. Want Jan reed in een grote Jaquar en die ouwe van mij in een oude VW Kever. Maar Jan hield voet bij stuk en om van het gedram af te zijn stemde die ouwe toe. Morgen is Jan weer nuchter en dan breng ik die Jaquar weer netjes terug, dacht hij, en hij had meteen een mooie gelegenheid   om in een Jaquar rijden. De sleutels werden uitgewisseld en beiden stapten ze in hun ‘nieuwe’ bolides. In die tijd gebeurde het vaak dat men met drank op achter het stuur kroop.
Die ouwe reed een flink stuk met de Jaquar, want zo’n kans kreeg hij nooit weer. Hij wist niet beter dan dat hij de Jaguar de volgende dag weer terug zou brengen.
Aldus geschiedde dat de volgende morgen die ouwe de Jaquar naar de overkant reed en bij Jan naar binnen liep. ‘Jan, wij hebben gisteren met onze dronken kop de auto’s geruild, maar ik neem aan dat jij je Jaquar weer terug wilt’. Jan keek die ouwe aan met een blik van ‘ben jij wel goed wijs?’  ‘Moet je luisteren pik’, begon Jan, ‘ik was wel dronken maar ik weet echt wel wat ik gedaan heb. We hebben geruild en die Jaquar nu van jou’.

Samen lieten ze de auto’s overschrijven en die ouwe was de trotse eigenaar van een Jaquar. Hij wilde meteen met het hele gezin een stuk rijden. Die ouwe vond het prachtig, je zag hem genieten. Totdat hij moest tanken, die volle tank kostte hem een vermogen en hij had direct door dat die Jaquar verkocht moest worden.

Diezelfde avond stond er een advertentie in het Utrechts Nieuwsblad en die week werd de Jaguar verkocht. Die ouwe bracht de helft van de opbrengst naar Jan, die dit gebaar wel kon waarderen. Zelf kocht die ouwe weer een VW kever en de vriendschap tussen die twee bleef als vanzelfsprekend.

De één had een Jaquar, de ander een Kever
Veel te veel gedronken, dat is zeker
Zeg Toon, zullen we ruilen?
Nee Jan, van ruilen komt altijd huilen


Door Jan zijn gedram
Kwam er toch het ruilen van
Met een grote omweg kwam hij thuis aan
Niemand vroeg: waar komt die auto vandaan

De volgende morgen bracht hij hem terug
Maar Jan rechtte zijn rug
We hebben geruild
De drank heeft mijn geheugen niet misbruikt

Die Jaquar is van jou
Want mijn belofte blijf ik trouw
De tank wat te groot voor die ouwe zijn portemonnee
Uitendelijk ging de Jaq met een ander mee

Heb je genoten van dit verhaal, lees mijn boek dan eens. De opbrengsten van het boek gaan naar de YWC KLINIEK. 
Het boek is te bestellen op:

https://www.boekenbestellen.nl/boek/toon-de-woordenbende/31401


De nazorg.

Sinds mijn zoon terug is uit de Yes We Can kliniek bezoek ik met enige regelmaat de nazorgbijeenkomsten voor ouders met verslaafde kinderen. Deze bijeenkomsten worden één keer per week gehouden. Wanneer de kinderen na 10 weken uit de kliniek komen, start er voor de kinderen en ouders een nazorg traject. Voor de kinderen duurt dit 10 weken omdat zij ná en tijdens het nazorgtraject op ‘meetings ’terecht kunnen. Voor de ouders is het nazorgtraject voor altijd.
Eigenlijk heb ik die nazorg niet zo hard nodig omdat het met mijn zoon goed gaat. Hij is al anderhalf jaar clean en het gaat goed met hem. Ik ga daar meestal één keer per drie weken heen omdat ik misschien ouders kan helpen waarvan hun kind net uit de kliniek is.
Ik heb gemerkt dat ik ouders die radeloos zijn soms kan helpen. Er kan natuurlijk een tijd komen dat ik de ouders die daar komen zelf weer hard nodig hebt.
Bij thuiskomst, na tien weken in een veilige kliniek, is iedereen vol goede voornemens. De kinderen willen alles toepassen wat zij in de kliniek geleerd hebben, net als de ouders die tijdens de weken dat hun kind in de kliniek zaten, ook begeleid zijn. Kinderen en ouders zijn in die periode heel diep gegaan en hebben de wil om het allemaal beter te gaan doen dan voorheen. In vele gevallen lukt dit, al is het met vallen en opstaan.
Eenmaal thuis gaan de kinderen vaak al dezelfde avond naar een meeting waar verslaafden bijeenkomen. Je merkt als ouder dat de kinderen veel tools en structuur hebben meegekregen in de kliniek. Maar na een tijdje komen de eerste ‘scheurtjes’ boven drijven en de vraag: hoe gaan wij er dan mee om. Ouders beseffen vaak niet dat onze kinderen net als zijzelf een vermoeiende tijd achter de rug hebben. Allereerst de verslavingstijd en daarna het afkicken in de kliniek van verslaving, gewoontes e.d.. Voor mensen die nog nooit met verslaving te maken hebben gehad is dit misschien niet te begrijpen, maar nadat de kinderen uit de kliniek komen, hebben zij vaak een week of tien nodig om bij te komen. Daarna komen ze vaak pas een beetje op gang. Daarom is de nazorg zo belangrijk. Hier komen de ouders bij elkaar onder leiding van een ervaringsdeskundige en kunnen zij er met vragen, problemen, tips of goed nieuws terecht.
Vaak wanneer het even niet lekker loopt denken de ouders dat het helemaal fout loopt. Maar wanneer je rustig naar hun verhaal luistert, valt het meestal mee. Tijdens het vertellen hoor je tussen de regels door hoeveel er eigenlijk wél goed gaat. Juist de zaken die niet goed gaan worden enorm uitvergroot waardoor de dingen die hun kind zo goed doen helaas in het niets verdwijnen.
Wij ouders praten daar over onder leiding van een ervaringsdeskundige en wijzen elkaar ook op de dingen die goed gaan. Het is ‘omdenken’ waardoor je de dingen die wél goed gaan groter kan maken. Er wordt geluisterd naar ouders die dit probleem eerder aan de hand hebben gehad . Zij delen die ervaringen met alle liefde. Hierdoor gaan ouders vaak met een positiever beeld naar huis. Dat laatste is het belangrijkste, het gaat erom dat je samen met je kind weer verder kan bouwen aan een goede verstandhouding en vertrouwen. Ik heb tijdens deze bijeenkomsten veel geleerd en leer elke keer opnieuw weer. Ik heb ook geleerd dat bij het ene kind het kwartje eerder valt dan bij het andere. Ook bij ouders valt dit kwartje niet gelijk. Er zijn kinderen die terugvallen, maar je merkt vaak dat ze toch de tools hebben om te vallen en weer op te staan. Hierom en om duizend andere zaken is het enorm belangrijk dat deze nazorg er is. Wat mij betreft blijf ik elke 3 weken terugkomen om te helpen en te steunen. Niet omdat het moet maar omdat ik het wil.

nazorg is een zorg voor eeuwig
wanneer je dat wilt,anders is het eindig
het gaat over je kind en zijn struggels
het gaat rond en langs de aanwezige ouders

we komen soms boos en gefrustreerd binnen
wat goed gaat is verdrongen, je hebt het alleen over de klotedingen
anderen luisteren en horen dat er best veel goed gaat
we steunen elkaar en beseffen dat over het goede soms te weinig wordt gepraat

wie boos en gefrustreerd binnenkomt, gaat vaak
met een andere blik en kijk op de zaak
weer optimistisch met tips en tools naar huis
thuis gekomen kijk je elkaar in de ogen en weg is de ruis

het is vallen en opstaan voor onze jongens en meiden
maar ook voor de grote sterke vaders en lieve moeders die alleen jouw geluk willen vinden
moet ik op mijn tenen en vooral niet in de weg lopen
nee niet doen, probeer samen de juiste weg te volgen

soms is die weg een mooie rechte weg
vaker geeft deze meerdere richtingen aan en komt het aan op gezamenlijk overleg
soms begrijpen we elkaar even niet en wordt er teveel gezegd
ook dat hoort nu eenmaal bij dit gevecht

Yes I Can
Yes You Can
I always trust in that what we can
thank you, Yes We Can

Heb je genoten van dit verhaal, lees mijn boek dan eens. De opbrengsten van het boek gaan naar de YWC KLINIEK. 
Het boek is te bestellen op:

https://www.boekenbestellen.nl/boek/toon-de-woordenbende/31401

Mijn naam is Toon en mijn zoon is verslaafd

Daar moest ik gisteren aan denken, tijdens een N.A. meeting voor verslaafden waar mijn zoon zijn levensverhaal vertelde. Wanneer iemand op een meeting wat deelt begint hij of zij met: ik ben…. en ik ben verslaafd. Er wordt dan door de anderen geantwoord met een hallo gevolgd door het noemen van zijn of haar naam.

Hij vertelde zijn levensverhaal op een heel indrukwekkende manier, ik gloeide van trots.

De reden van mijn aanwezigheid op deze meeting begon met een appje: ‘Pa zullen we samen voetbal kijken?’ Natuurlijk antwoordde ik met ja want er is niets mooiers dan samen met je kinderen genieten van je gezamenlijke voetbal interesses. Even later weer een appje ‘oh shit vergeten, ik zou vanavond mijn levensverhaal vertellen op een meeting’.

Mijn zoon is verslaafd en gelukkig al meer dan een jaar clean. Een van de redenen dat hij clean blijft is het regelmatig bezoeken van meetings. Op zo’n meeting komen verslaafden die niet meer gebruiken bij elkaar. Zij ‘delen’ daar o.a. hun verhalen, hun angsten en belevenissen. Er wordt daar niet geoordeeld of veroordeeld. Ben je teruggevallen en kom je daar weer omdat je gestopt bent en je leven weer wilt oppakken, dan ben je van harte welkom. ‘Fijn dat je er weer bent’ is wat je te horen krijgt. Ook knuffelt iedereen elkaar bij binnenkomst en vertrek van de bijeenkomst, dit is en voelt oprecht en warm. Bij een openbare meeting mag je als niet-verslaafde mee met iemand die de meeting bezoekt. 

Ik heb hem zijn levensverhaal horen vertellen over liegen, bedriegen, manipuleren van ons als ouders en anderen. Bewonderingswaardig was dat hij vertelde over zijn suïcidale gedachten en zijn gebruik wat nog veel erger was dan ik wist. Er waren meer dingen die ik voor het eerst hoorde, maar ik zag ook wat dat met de aanwezigen deed en dat was veel. Het deed mij ook veel dat andere aanwezigen meerdere keren deelden ‘Ik wou dat ik mijn vader of moeder mee kon nemen naar een meeting’. 

Ik ben dankbaar dat ik hier aanwezig mocht zijn en ik had deze avond voor geen honderd mooie voetbalwedstrijden willen missen.

Onderweg naar huis ging de meeting wel duizend keer door mijn hoofd, net als de nazorgmeetings voor ouders die ik regelmatig bezoek. Ook hier zie ik ouders struggelen met het herstel van hun kinderen. Nu heb ik die nazorg voor ouders niet zo hard nodig, maar ik ga erheen om met mijn ervaring als ouder de andere ouders te helpen waar mogelijk. Soms lukt dat door het geven van een tip of maken van een opmerking en misschien heb ik deze ouders zelf ooit weer nodig.

Bij deze N.A. meeting kwam mijn zoon iemand tegen die hem had opgevangen in de kliniek en deze jongen was al snel teruggevallen. Maar nu vertelde hij met trots al een maand clean te zijn. Door dit soort verhalen te vertellen aan ouders waar bij het herstel van hun kinderen niet zo lekker loopt, geef je hoop en vertrouwen en kan je elkaar blijven helpen.

Hou mij te goede ik zou liever hebben gehad dat mijn zoon niet verslaafd zou zijn geweest. Maar de openbare meetings en de nazorgmeetings hebben mijn leven verrijkt.

Hallo ik ben Toon en mijn zoon is verslaafd.

Heb je genoten van dit verhaal, lees mijn boek dan eens. De opbrengsten van het boek gaan naar de YWC KLINIEK. 
Het boek is te bestellen op:

https://www.boekenbestellen.nl/boek/toon-de-woordenbende/31401

de telegraaf bezorger.

Ik was dertien of veertien jaar oud en wilde een centje bijverdienen. Via een tip kwam ik op de Oudegracht 203 terecht, daar waar nu stripwinkel Blunder zit. Dat was toen het een depot van de Telegraaf. Ze zochten daar bezorgers voor de Telegraaf en ik zocht een baantje. Eén en één is twee, dus ik daar naar binnen. Achter een tafel waar ‘s nachts de kranten werden gesorteerd, zat een grote dikke man met een rood hoofd. ‘Wat kom je doen’, vroeg hij een beetje nors.
‘Ik wil graag wat bijverdienden als krantenbezorger’, antwoordde ik. ‘Hoe oud ben jij’, vroeg hij. ‘Zestien’, loog ik. Hij pakte pen en papier en noteerde mijn gegevens. ‘Je kan als je wilt maandag beginnen’, zei hij. ‘Dat is mooi’, antwoordde ik, ‘maar wat ga ik verdienen?’. ‘Je krijgt een kwartje per krant per week en deze wijk heeft ongeveer 200 abonnees’, legde hij uit. ‘Dus je verdient ongeveer vijftig gulden per week’.

Van zulke bedragen kon ik alleen maar dromen en ik antwoordde dat ik maandag wel kon beginnen. ‘Je moet zorgen voor een goede fiets met bagagedrager’, commandeerde hij. ‘Die heb ik wel’, zei ik. ‘En je moet hier vóór vijf uur in de morgen aanwezig zijn’, kwam er nog achteraan. Kolere dacht ik,daar had ik even niet bij stil gestaan, maar het vooruitzicht van die vijftig gulden maakte alles goed.

Die maandag was ik al om vier uur aanwezig. ‘Jij bent mooi op tijd’, zei de dikke man, die als bijnaam die Rooie had. Die Rooie legde me uit waar de pakken met kranten moesten worden gepakt en hij telde ze voor mij uit. ‘Vanaf morgen moet je dit zelf doen jochie’ De kranten gingen in de tas achterop de fiets en ik kreeg een lijst met straatnamen en huisnummers mee van de Telegraaf abonnees.

Ik kon gelukkig op de Oudegracht beginnen dat scheelde toch een hoop gezoek bleek later, want wist ik veel waar de Jacobsgasthuissteeg, de Zwaansteeg, de Zilverstraat enzovoorts lagen.
Daar was ik toen nog even de nodige uurtjes mee zoet en om half negen was ik pas klaar. Ik ging me even melden, die Rooie keek op en zei:  ‘Dat heb je vlot gedaan voor de eerste keer en ik heb nog geen klachten ontvangen’. Uiteraard was ik te laat voor school, dus besloot ik deze dag maar een welverdiende vrije schooldag op te nemen.

Na verloop van tijd kreeg ik het wereldje van bezorgen goed door. Tegen november zorgde ik ervoor dat ik een krantenwijk of vier had, want dat leverde met oud en nieuw flinke bedragen aan nieuwjaarsfooien op. Ook had ik snel door dat dronken gasten in de binnenstad flink voor je krantje wilde betalen. Op vrijdag en zaterdag telde ik altijd een krantje of 20 teveel af. Die Rooie lette toch nooit op. Op vrijdag- en zaterdagnacht werd je dan altijd een paar keer aangesproken: ‘Hé jochie, heb je een krantje over voor mij?’. Waarop ik steevast antwoordde: ‘Heb jij dan een knaak over voor mij?’.
Een krant koste toen ongeveer een gulden. Maar die dronken gasten gaven grif een knaakie voor de krant. Zo scharrelde ik al snel een extra weeksalaris erbij.
Een nadeel was het politiebureau aan het Tolsteeg. Regelmatig werd ik aangehouden met de vraag hoe oud ik was. Ik loog altijd dat ik zestien was. Ik wist natuurlijk dat zij het moeilijk konden controleren, er was in die tijd natuurlijk geen legitimatieplicht. ‘Dan gaan we je ouders maar eens bellen’, zeiden ze dan. Ik blufte daar dan overheen met ‘Daar zal die ouwe van mij blij mee zijn als je hem ‘s morgens om een uur of vijf gaat bellen, je bent de derde al deze maand’, loog ik dan verder. De agenten antwoordden dan dat ze later op de dag wel zouden gaan bellen, maar dat gebeurde natuurlijk nooit. Het vervelende was dat dat ‘gezeur’ mij altijd weer minimaal een kwartier van mijn tijd kostte, waardoor ik weer te laat in de klas verscheen.

In de binnenstad had ik ook wel eens te maken met agressiviteit. Ik was een keer in een steeg aan het bezorgen, komt er een vent schreeuwend aanlopen, katlam was hij. ‘Hé!’, riep hij, ‘geef mij eens een krant’. Ik voelde al nattigheid en had mijn kettingslot al van mijn fiets losgemaakt.
Dat was zo’n stalen ketting met een groot Abus slot eraan. Hij bleef schreeuwen en dreigde mijn kranten in de fik te steken,  wanneer ik geen krant aan hem wilde geven. Ik antwoordde dat ik een knaak voor die krant moest hebben en dat hij anders lekker de kolere kon krijgen. De man werd vreselijk kwaad en begon tegen mijn fiets te schoppen. Ik bedacht mij geen seconde en sloeg de ketting met aan het eind het Abus slot tegen zijn dronken kop aan. Hij lag gelijk een paar meter verderop op de grond met een vreselijke koppijn. Ik pakte mijn fiets en ging er snel vandoor. Daar was ik ook weer vanaf dacht ik. Maar die zatlap deed aangifte bij de politie en ik werd vervolgens van school weggeplukt en naar het politiebureau gebracht. Daar kwam natuurlijk aan het licht dat ik geen zestien was en kon ik mijn krantenwijkjes gedag zeggen.
Verder had dit akkefietje geen gevolgen voor mij. Die Rooie baalde dat hij mij kwijt raakte als bezorger, maar vond het ook vervelend voor mij dat ik mijn baantje kwijt was. ‘Ik heb al een collega van een ander depot voor je gebeld’, zei hij, ‘Je kan daar zo beginnen’. Dat was in de Waalstraat daar heb ik nog de nodige jaartjes als krantenbezorger gewerkt.

Elke morgen de Telegraaf bezorgen
Dat was vroeg opstaan elke dag vier uur in de morgen
Op mijn fietsie naar de Oudegracht
Daar lagen de kranten die rond moesten worden gebracht

De teveel afgetelde kranten werden voor een knaak verkocht
De rest werd dan weer netjes op het juiste adres bezorgd
De politie moest regelmatig naar mijn leeftijd raden
Er werd ten einde raad gedreigd naar huis te bellen

Moet je doen joh, om vijf uur in de morgen
Die ouwe van mij zal je dan een mooie scheldserenade bezorgen
Zo blufte ik ze regelmatig af ‘die wouten’
Ze belden toch niet naar mijn ouders en ik ging weer vrolijk verder met bezorgen van mijn kranten

Soms kreeg ik te maken met geweld
Maar met een ketting kreeg ik de grootste dronkaard geveld
Jaren vroeg op voor het bezorgen de kranten
Want die kranten bezorgden mij weer vele centen

Heb je genoten van dit verhaal, lees mijn boek dan eens. De opbrengsten van het boek gaan naar de YWC KLINIEK. 
Het boek is te bestellen op:

https://www.boekenbestellen.nl/boek/toon-de-woordenbende/31401

Ode aan Utrecht

De Dom
De Gracht
Hij komt uit in de Vecht
En hoort bij Utrecht

Net als de Domkerk
Afgesneden van die mooie toren door een storm en slecht werk
De Singel gedempt en omgetoverd tot een autoweg
Jaren later stroomt het water toch weer dwars door Utreg

Hoog Catharijne werd omgedoopt tot Hoog Chagerijne
Het sjagerijn is verdwenen, trots wandel ik door een winkelcentrum van allure
Buiten heeft de markt zijn beste tijd gehad
Tussen de kraampjes valt vaak een gat

Op het Vredenburgplein wordt een mozaïek aangebracht
Of we het ooit zullen zien moet maar worden afgewacht
Twee minuten verder ligt de Oudegracht
Loop eens door naar De Neude, ga langs bij de Haas, mogelijk heeft hij al wat bedacht

Er is zo veel te vertellen over mijn mooie stad
De eerste ode over Utrecht, gewoon recht uit mijn hart

LTS op de Schoolstraat

Ik was vroeger zo’n jongen waarvan iedereen zei ‘Die kan niets’. Op de lagere school zagen ze maar één oplossing: Toon moet naar de Tuinbouwschool. Dan is hij lekker veel buiten en hoeft hij niet de hele dag in een klaslokaal op gaan zitten letten. Ik zal er verder kort over zijn, die school werd geen succes en ik mocht al snel vertrekken.

Na wat omzwervingen kwam ik op de 1e Algemene LTS aan de Schoolstraat terecht. Mijn allerlaatste kans, want als je daar van af werd geschopt kon je op geen enkele school meer terecht. Ik voelde mij daar al snel thuis, de meeste jongens die daar op school zaten woonden net als ik in een volksbuurt. Jongens net als ik die het niet altijd makkelijk hadden, maar het leven zelf leuk maakten. Dat leuk maken bestond uit spijbelen, voetballen, op Hoog Catharijne hangen enzovoorts. Maar ook op school hadden we veel lol.

In de eerste twee klassen moest je aan alle vakken ‘ruiken’. Het ene uur stond je aan een draaibank en het volgende uur was je in de keuken aan het koken. Die keukens waren op de begane grond en het gebouw was gebouwd in een soort van U-vorm. Nu kregen wij ook les in metselen op de derde verdieping. Daar leerden metselen wij met steentjes net zo groot als een legoblokje.

Op een warme dag stonden de ramen open. Een klasgenoot zag op zo’n warme dag dat er bij de koks aan een grote bruidstaart werd gewerkt. Achteraf bleek het een tentamenstuk te zijn. Wisten wij veel, daar stonden wij aan het raam met die kleine steentjes en in een splitsecond hadden wij besloten dat die taart aan gort moest worden gegooid.

We hadden toen geen benul dat je van drie hoog ook iemand zware verwondingen had kunnen bezorgen. De leraar was op een moment even gaan roken. Het lulletje van de klas moest op de uitkijk gaan staan en alle ramen gingen open. Als een soort bombardement gingen de stenen door de ramen op de benedenverdieping richting de taart. Het glas beneden spatte alle kanten op en de taart werd door de stenen en rondvliegend glas helemaal naar zijn kloten gegooid. De school stond op zijn kop en de hele klas werd op het matje geroepen. Men zou en moest de daders eruit pikken.

Maar de hele klas gaf geen krimp. Het was op die school een ongeschreven wet, ‘je verraadt nooit iemand’. De leerkrachten waren woest en er werd op een andere tactiek overgegaan.

De volgende dag moesten wij ons melden bij kamer 13. Dat was de kamer van de directeur, elke morgen bij het binnenkomen van de school stonden daar wel een paar namen op een groot bord. Ik was er al aan gewend dat de naam Lagas er een paar keer per week op stond, daar werd ik niet meer zo zenuwachtig van. Wanneer je naam op het bord stond moest je je eerst bij de conciërge melden. Dan werd je meestal in een groepje van drie naar de gang gebracht waar de directeur in zijn kamer zat. Deze conciërge liep altijd mank en wanneer hij voor ons uit liep deden wij natuurlijk zijn loopje na en hadden dan de grootste schik. Je moest dan gaan zitten op een bankje, de conciërge klopte op de deur en gaf de namen door van de jongens die daar zaten.

De directeur, hij heette volgens mij De Kruif, was een strenge man die verschrikkelijk tekeer kon gaan, maar ondanks dat mocht ik hem wel. Streng en rechtvaardig noem je dat tegenwoordig. Hij deed er alles aan om de schuldigen te kunnen straffen. Ik was ondertussen wel wat gewend en gaf geen kik, maar er waren klasgenootjes die met tranen in de ogen zijn kamer uit kwamen. Maar niemand van die klas was doorgeslagen. Uiteindelijk konden ze niets anders doen dan de hele klas voor een week te schorsen.

Een mooiere beloning konden wij niet krijgen. Spijbelen met toestemming. De brief aan de ouders vingen wij zelf wel op en een handtekening was makkelijk vervalst.

Toch heeft deze school mij veel gegeven, in de derde klas was ik het na de eerste schooldag al zat. Ik ging een poosje spijbelen, dat poosje werd bijna een heel schooljaar. Nu vraag je je af hoe dat kon, maar in die tijd waren er geen computers en mobiele telefoons, dus werd er bij verzuim een groene kaart per post verzonden.

Mijn moeder en stiefvader werkten de hele dag, wij woonden in een flatgebouw waar de brievenbussen aan de hoofdingang hingen. Met een breekijzer boog ik dan het deurtje wat open en viste die kaart eruit. Dat openbreken van die brievenbusjes kwam vaker voor dus daar keek niemand van op.

Het was ergens in mei toen ik besloot om maar weer eens naar school te gaan. Ik was nog geen drie stappen in het gebouw of ik hoor een zware stem: ‘Lagas! Wat denk jij hier te doen?’. Het was mijnheer Tamminga, je kent dat wel, zo’ n leraar waar echt iedereen veel ontzag voor had. Kolere dacht ik, hier zit ik niet op te wachten. ‘Kom jij maar even mee’, wenkte hij. Ik had geen keus en volgde hem maar. Ik verwachtte een enorme tirade, maar hij werd heel vaderlijk. ‘Wat verwacht je nu’, vroeg hij rustig, ‘Denk je zomaar weer mee te kunnen doen?’. Ik haalde mijn schouders op en onnozel antwoordde ik dat dit wel de bedoeling was.

Ik zag ineens bij deze strenge man een vorm van radeloosheid. Hij had mij gewoon van school kunnen schoppen. Maar ik voelde al snel aan dat dit niet ging gebeuren.

Mijnheer De Gram kwam binnen. Dit was een leeraar die metaalles gaf. Deze man was een praktijkman en had geen lerarenopleiding gehad, hij was vanuit de fabriek les gaan geven op de LTS. ‘Wat doe jij hier’, vroeg hij. Ik haalde mijn schouders weer op en antwoordde dat ik weer terug naar school wilde. Beiden keken elkaar aan en gingen even apart zitten.

Even later kwam Tamminga weer binnenlopen en zei: ‘Als jij belooft om voortaan weer naar school te komen zonder te spijbelen, dan zorg ik er voor dat jij terug mag komen en dat je van klas drie naar vier gaat. Maar ik wil wel dat jij woord houdt’ zei hij, ‘want mijn kop gaat eraf wanneer jij weer gaat spijbelen’.
Ik hield woord en hij ook.
Ik ging met een diploma van school af en ondertussen ben ik bijna zestig jaar, maar de basis van mijn leven is mede op deze school gelegd.

De Tuinbouwschool kon nooit wat worden
Op de LTS stond mijn naam met regelmaat op de borden
Met stenen ging de grote taart kapot
Niet alleen de taart maar ook de ramen gingen aan gort

De daders waren kameraden
Daarom werd niemand verraden
De directeur beet van nijd zijn sigaar kapot
Hij dreigde en schold ons verrot

Hij kreeg ons niet klein en zoals verwacht
Werd de hele klas ‘hard’ aangepakt
Als bonus werden we allemaal geschorst
Vanwege gebrek aan bewijs, een week van school verlost

Na één dag in het nieuwe schooljaar 
Was ik er helemaal mee klaar
Ik ben toen bijna een heel jaar niet op school geweest
Alleen de laatste week was ik er het meest

Ik werd zelfs niet van school gegooid
Maar er werd gezegd dat ik ‘netjes’ klas drie had voltooid 

In klas vier ben ik nooit meer afwezig geweest
En aan het eind van mijn jeugd werd er trots met een diploma gefeest



Heb je genoten van dit verhaal, lees mijn boek dan eens. De opbrengsten van het boek gaan naar de YWC KLINIEK. 
Het boek is te bestellen op:

https://www.boekenbestellen.nl/boek/toon-de-woordenbende/31401