Mijn naam is Toon en mijn zoon is verslaafd

Daar moest ik gisteren aan denken, tijdens een N.A. meeting voor verslaafden waar mijn zoon zijn levensverhaal vertelde. Wanneer iemand op een meeting wat deelt begint hij of zij met: ik ben…. en ik ben verslaafd. Er wordt dan door de anderen geantwoord met een hallo gevolgd door het noemen van zijn of haar naam.

Hij vertelde zijn levensverhaal op een heel indrukwekkende manier, ik gloeide van trots.

De reden van mijn aanwezigheid op deze meeting begon met een appje: ‘Pa zullen we samen voetbal kijken?’ Natuurlijk antwoordde ik met ja want er is niets mooiers dan samen met je kinderen genieten van je gezamenlijke voetbal interesses. Even later weer een appje ‘oh shit vergeten, ik zou vanavond mijn levensverhaal vertellen op een meeting’.

Mijn zoon is verslaafd en gelukkig al meer dan een jaar clean. Een van de redenen dat hij clean blijft is het regelmatig bezoeken van meetings. Op zo’n meeting komen verslaafden die niet meer gebruiken bij elkaar. Zij ‘delen’ daar o.a. hun verhalen, hun angsten en belevenissen. Er wordt daar niet geoordeeld of veroordeeld. Ben je teruggevallen en kom je daar weer omdat je gestopt bent en je leven weer wilt oppakken, dan ben je van harte welkom. ‘Fijn dat je er weer bent’ is wat je te horen krijgt. Ook knuffelt iedereen elkaar bij binnenkomst en vertrek van de bijeenkomst, dit is en voelt oprecht en warm. Bij een openbare meeting mag je als niet-verslaafde mee met iemand die de meeting bezoekt. 

Ik heb hem zijn levensverhaal horen vertellen over liegen, bedriegen, manipuleren van ons als ouders en anderen. Bewonderingswaardig was dat hij vertelde over zijn suïcidale gedachten en zijn gebruik wat nog veel erger was dan ik wist. Er waren meer dingen die ik voor het eerst hoorde, maar ik zag ook wat dat met de aanwezigen deed en dat was veel. Het deed mij ook veel dat andere aanwezigen meerdere keren deelden ‘Ik wou dat ik mijn vader of moeder mee kon nemen naar een meeting’. 

Ik ben dankbaar dat ik hier aanwezig mocht zijn en ik had deze avond voor geen honderd mooie voetbalwedstrijden willen missen.

Onderweg naar huis ging de meeting wel duizend keer door mijn hoofd, net als de nazorgmeetings voor ouders die ik regelmatig bezoek. Ook hier zie ik ouders struggelen met het herstel van hun kinderen. Nu heb ik die nazorg voor ouders niet zo hard nodig, maar ik ga erheen om met mijn ervaring als ouder de andere ouders te helpen waar mogelijk. Soms lukt dat door het geven van een tip of maken van een opmerking en misschien heb ik deze ouders zelf ooit weer nodig.

Bij deze N.A. meeting kwam mijn zoon iemand tegen die hem had opgevangen in de kliniek en deze jongen was al snel teruggevallen. Maar nu vertelde hij met trots al een maand clean te zijn. Door dit soort verhalen te vertellen aan ouders waar bij het herstel van hun kinderen niet zo lekker loopt, geef je hoop en vertrouwen en kan je elkaar blijven helpen.

Hou mij te goede ik zou liever hebben gehad dat mijn zoon niet verslaafd zou zijn geweest. Maar de openbare meetings en de nazorgmeetings hebben mijn leven verrijkt.

Hallo ik ben Toon en mijn zoon is verslaafd.

Heb je genoten van dit verhaal, lees mijn boek dan eens. De opbrengsten van het boek gaan naar de YWC KLINIEK. 
Het boek is te bestellen op:

https://www.boekenbestellen.nl/boek/toon-de-woordenbende/31401

de telegraaf bezorger.

Ik was dertien of veertien jaar oud en wilde een centje bijverdienen. Via een tip kwam ik op de Oudegracht 203 terecht, daar waar nu stripwinkel Blunder zit. Dat was toen het een depot van de Telegraaf. Ze zochten daar bezorgers voor de Telegraaf en ik zocht een baantje. Eén en één is twee, dus ik daar naar binnen. Achter een tafel waar ‘s nachts de kranten werden gesorteerd, zat een grote dikke man met een rood hoofd. ‘Wat kom je doen’, vroeg hij een beetje nors.
‘Ik wil graag wat bijverdienden als krantenbezorger’, antwoordde ik. ‘Hoe oud ben jij’, vroeg hij. ‘Zestien’, loog ik. Hij pakte pen en papier en noteerde mijn gegevens. ‘Je kan als je wilt maandag beginnen’, zei hij. ‘Dat is mooi’, antwoordde ik, ‘maar wat ga ik verdienen?’. ‘Je krijgt een kwartje per krant per week en deze wijk heeft ongeveer 200 abonnees’, legde hij uit. ‘Dus je verdient ongeveer vijftig gulden per week’.

Van zulke bedragen kon ik alleen maar dromen en ik antwoordde dat ik maandag wel kon beginnen. ‘Je moet zorgen voor een goede fiets met bagagedrager’, commandeerde hij. ‘Die heb ik wel’, zei ik. ‘En je moet hier vóór vijf uur in de morgen aanwezig zijn’, kwam er nog achteraan. Kolere dacht ik,daar had ik even niet bij stil gestaan, maar het vooruitzicht van die vijftig gulden maakte alles goed.

Die maandag was ik al om vier uur aanwezig. ‘Jij bent mooi op tijd’, zei de dikke man, die als bijnaam die Rooie had. Die Rooie legde me uit waar de pakken met kranten moesten worden gepakt en hij telde ze voor mij uit. ‘Vanaf morgen moet je dit zelf doen jochie’ De kranten gingen in de tas achterop de fiets en ik kreeg een lijst met straatnamen en huisnummers mee van de Telegraaf abonnees.

Ik kon gelukkig op de Oudegracht beginnen dat scheelde toch een hoop gezoek bleek later, want wist ik veel waar de Jacobsgasthuissteeg, de Zwaansteeg, de Zilverstraat enzovoorts lagen.
Daar was ik toen nog even de nodige uurtjes mee zoet en om half negen was ik pas klaar. Ik ging me even melden, die Rooie keek op en zei:  ‘Dat heb je vlot gedaan voor de eerste keer en ik heb nog geen klachten ontvangen’. Uiteraard was ik te laat voor school, dus besloot ik deze dag maar een welverdiende vrije schooldag op te nemen.

Na verloop van tijd kreeg ik het wereldje van bezorgen goed door. Tegen november zorgde ik ervoor dat ik een krantenwijk of vier had, want dat leverde met oud en nieuw flinke bedragen aan nieuwjaarsfooien op. Ook had ik snel door dat dronken gasten in de binnenstad flink voor je krantje wilde betalen. Op vrijdag en zaterdag telde ik altijd een krantje of 20 teveel af. Die Rooie lette toch nooit op. Op vrijdag- en zaterdagnacht werd je dan altijd een paar keer aangesproken: ‘Hé jochie, heb je een krantje over voor mij?’. Waarop ik steevast antwoordde: ‘Heb jij dan een knaak over voor mij?’.
Een krant koste toen ongeveer een gulden. Maar die dronken gasten gaven grif een knaakie voor de krant. Zo scharrelde ik al snel een extra weeksalaris erbij.
Een nadeel was het politiebureau aan het Tolsteeg. Regelmatig werd ik aangehouden met de vraag hoe oud ik was. Ik loog altijd dat ik zestien was. Ik wist natuurlijk dat zij het moeilijk konden controleren, er was in die tijd natuurlijk geen legitimatieplicht. ‘Dan gaan we je ouders maar eens bellen’, zeiden ze dan. Ik blufte daar dan overheen met ‘Daar zal die ouwe van mij blij mee zijn als je hem ‘s morgens om een uur of vijf gaat bellen, je bent de derde al deze maand’, loog ik dan verder. De agenten antwoordden dan dat ze later op de dag wel zouden gaan bellen, maar dat gebeurde natuurlijk nooit. Het vervelende was dat dat ‘gezeur’ mij altijd weer minimaal een kwartier van mijn tijd kostte, waardoor ik weer te laat in de klas verscheen.

In de binnenstad had ik ook wel eens te maken met agressiviteit. Ik was een keer in een steeg aan het bezorgen, komt er een vent schreeuwend aanlopen, katlam was hij. ‘Hé!’, riep hij, ‘geef mij eens een krant’. Ik voelde al nattigheid en had mijn kettingslot al van mijn fiets losgemaakt.
Dat was zo’n stalen ketting met een groot Abus slot eraan. Hij bleef schreeuwen en dreigde mijn kranten in de fik te steken,  wanneer ik geen krant aan hem wilde geven. Ik antwoordde dat ik een knaak voor die krant moest hebben en dat hij anders lekker de kolere kon krijgen. De man werd vreselijk kwaad en begon tegen mijn fiets te schoppen. Ik bedacht mij geen seconde en sloeg de ketting met aan het eind het Abus slot tegen zijn dronken kop aan. Hij lag gelijk een paar meter verderop op de grond met een vreselijke koppijn. Ik pakte mijn fiets en ging er snel vandoor. Daar was ik ook weer vanaf dacht ik. Maar die zatlap deed aangifte bij de politie en ik werd vervolgens van school weggeplukt en naar het politiebureau gebracht. Daar kwam natuurlijk aan het licht dat ik geen zestien was en kon ik mijn krantenwijkjes gedag zeggen.
Verder had dit akkefietje geen gevolgen voor mij. Die Rooie baalde dat hij mij kwijt raakte als bezorger, maar vond het ook vervelend voor mij dat ik mijn baantje kwijt was. ‘Ik heb al een collega van een ander depot voor je gebeld’, zei hij, ‘Je kan daar zo beginnen’. Dat was in de Waalstraat daar heb ik nog de nodige jaartjes als krantenbezorger gewerkt.

Elke morgen de Telegraaf bezorgen
Dat was vroeg opstaan elke dag vier uur in de morgen
Op mijn fietsie naar de Oudegracht
Daar lagen de kranten die rond moesten worden gebracht

De teveel afgetelde kranten werden voor een knaak verkocht
De rest werd dan weer netjes op het juiste adres bezorgd
De politie moest regelmatig naar mijn leeftijd raden
Er werd ten einde raad gedreigd naar huis te bellen

Moet je doen joh, om vijf uur in de morgen
Die ouwe van mij zal je dan een mooie scheldserenade bezorgen
Zo blufte ik ze regelmatig af ‘die wouten’
Ze belden toch niet naar mijn ouders en ik ging weer vrolijk verder met bezorgen van mijn kranten

Soms kreeg ik te maken met geweld
Maar met een ketting kreeg ik de grootste dronkaard geveld
Jaren vroeg op voor het bezorgen de kranten
Want die kranten bezorgden mij weer vele centen

Heb je genoten van dit verhaal, lees mijn boek dan eens. De opbrengsten van het boek gaan naar de YWC KLINIEK. 
Het boek is te bestellen op:

https://www.boekenbestellen.nl/boek/toon-de-woordenbende/31401

Ode aan Utrecht

De Dom
De Gracht
Hij komt uit in de Vecht
En hoort bij Utrecht

Net als de Domkerk
Afgesneden van die mooie toren door een storm en slecht werk
De Singel gedempt en omgetoverd tot een autoweg
Jaren later stroomt het water toch weer dwars door Utreg

Hoog Catharijne werd omgedoopt tot Hoog Chagerijne
Het sjagerijn is verdwenen, trots wandel ik door een winkelcentrum van allure
Buiten heeft de markt zijn beste tijd gehad
Tussen de kraampjes valt vaak een gat

Op het Vredenburgplein wordt een mozaïek aangebracht
Of we het ooit zullen zien moet maar worden afgewacht
Twee minuten verder ligt de Oudegracht
Loop eens door naar De Neude, ga langs bij de Haas, mogelijk heeft hij al wat bedacht

Er is zo veel te vertellen over mijn mooie stad
De eerste ode over Utrecht, gewoon recht uit mijn hart

LTS op de Schoolstraat

Ik was vroeger zo’n jongen waarvan iedereen zei ‘Die kan niets’. Op de lagere school zagen ze maar één oplossing: Toon moet naar de Tuinbouwschool. Dan is hij lekker veel buiten en hoeft hij niet de hele dag in een klaslokaal op gaan zitten letten. Ik zal er verder kort over zijn, die school werd geen succes en ik mocht al snel vertrekken.

Na wat omzwervingen kwam ik op de 1e Algemene LTS aan de Schoolstraat terecht. Mijn allerlaatste kans, want als je daar van af werd geschopt kon je op geen enkele school meer terecht. Ik voelde mij daar al snel thuis, de meeste jongens die daar op school zaten woonden net als ik in een volksbuurt. Jongens net als ik die het niet altijd makkelijk hadden, maar het leven zelf leuk maakten. Dat leuk maken bestond uit spijbelen, voetballen, op Hoog Catharijne hangen enzovoorts. Maar ook op school hadden we veel lol.

In de eerste twee klassen moest je aan alle vakken ‘ruiken’. Het ene uur stond je aan een draaibank en het volgende uur was je in de keuken aan het koken. Die keukens waren op de begane grond en het gebouw was gebouwd in een soort van U-vorm. Nu kregen wij ook les in metselen op de derde verdieping. Daar leerden metselen wij met steentjes net zo groot als een legoblokje.

Op een warme dag stonden de ramen open. Een klasgenoot zag op zo’n warme dag dat er bij de koks aan een grote bruidstaart werd gewerkt. Achteraf bleek het een tentamenstuk te zijn. Wisten wij veel, daar stonden wij aan het raam met die kleine steentjes en in een splitsecond hadden wij besloten dat die taart aan gort moest worden gegooid.

We hadden toen geen benul dat je van drie hoog ook iemand zware verwondingen had kunnen bezorgen. De leraar was op een moment even gaan roken. Het lulletje van de klas moest op de uitkijk gaan staan en alle ramen gingen open. Als een soort bombardement gingen de stenen door de ramen op de benedenverdieping richting de taart. Het glas beneden spatte alle kanten op en de taart werd door de stenen en rondvliegend glas helemaal naar zijn kloten gegooid. De school stond op zijn kop en de hele klas werd op het matje geroepen. Men zou en moest de daders eruit pikken.

Maar de hele klas gaf geen krimp. Het was op die school een ongeschreven wet, ‘je verraadt nooit iemand’. De leerkrachten waren woest en er werd op een andere tactiek overgegaan.

De volgende dag moesten wij ons melden bij kamer 13. Dat was de kamer van de directeur, elke morgen bij het binnenkomen van de school stonden daar wel een paar namen op een groot bord. Ik was er al aan gewend dat de naam Lagas er een paar keer per week op stond, daar werd ik niet meer zo zenuwachtig van. Wanneer je naam op het bord stond moest je je eerst bij de conciërge melden. Dan werd je meestal in een groepje van drie naar de gang gebracht waar de directeur in zijn kamer zat. Deze conciërge liep altijd mank en wanneer hij voor ons uit liep deden wij natuurlijk zijn loopje na en hadden dan de grootste schik. Je moest dan gaan zitten op een bankje, de conciërge klopte op de deur en gaf de namen door van de jongens die daar zaten.

De directeur, hij heette volgens mij De Kruif, was een strenge man die verschrikkelijk tekeer kon gaan, maar ondanks dat mocht ik hem wel. Streng en rechtvaardig noem je dat tegenwoordig. Hij deed er alles aan om de schuldigen te kunnen straffen. Ik was ondertussen wel wat gewend en gaf geen kik, maar er waren klasgenootjes die met tranen in de ogen zijn kamer uit kwamen. Maar niemand van die klas was doorgeslagen. Uiteindelijk konden ze niets anders doen dan de hele klas voor een week te schorsen.

Een mooiere beloning konden wij niet krijgen. Spijbelen met toestemming. De brief aan de ouders vingen wij zelf wel op en een handtekening was makkelijk vervalst.

Toch heeft deze school mij veel gegeven, in de derde klas was ik het na de eerste schooldag al zat. Ik ging een poosje spijbelen, dat poosje werd bijna een heel schooljaar. Nu vraag je je af hoe dat kon, maar in die tijd waren er geen computers en mobiele telefoons, dus werd er bij verzuim een groene kaart per post verzonden.

Mijn moeder en stiefvader werkten de hele dag, wij woonden in een flatgebouw waar de brievenbussen aan de hoofdingang hingen. Met een breekijzer boog ik dan het deurtje wat open en viste die kaart eruit. Dat openbreken van die brievenbusjes kwam vaker voor dus daar keek niemand van op.

Het was ergens in mei toen ik besloot om maar weer eens naar school te gaan. Ik was nog geen drie stappen in het gebouw of ik hoor een zware stem: ‘Lagas! Wat denk jij hier te doen?’. Het was mijnheer Tamminga, je kent dat wel, zo’ n leraar waar echt iedereen veel ontzag voor had. Kolere dacht ik, hier zit ik niet op te wachten. ‘Kom jij maar even mee’, wenkte hij. Ik had geen keus en volgde hem maar. Ik verwachtte een enorme tirade, maar hij werd heel vaderlijk. ‘Wat verwacht je nu’, vroeg hij rustig, ‘Denk je zomaar weer mee te kunnen doen?’. Ik haalde mijn schouders op en onnozel antwoordde ik dat dit wel de bedoeling was.

Ik zag ineens bij deze strenge man een vorm van radeloosheid. Hij had mij gewoon van school kunnen schoppen. Maar ik voelde al snel aan dat dit niet ging gebeuren.

Mijnheer De Gram kwam binnen. Dit was een leeraar die metaalles gaf. Deze man was een praktijkman en had geen lerarenopleiding gehad, hij was vanuit de fabriek les gaan geven op de LTS. ‘Wat doe jij hier’, vroeg hij. Ik haalde mijn schouders weer op en antwoordde dat ik weer terug naar school wilde. Beiden keken elkaar aan en gingen even apart zitten.

Even later kwam Tamminga weer binnenlopen en zei: ‘Als jij belooft om voortaan weer naar school te komen zonder te spijbelen, dan zorg ik er voor dat jij terug mag komen en dat je van klas drie naar vier gaat. Maar ik wil wel dat jij woord houdt’ zei hij, ‘want mijn kop gaat eraf wanneer jij weer gaat spijbelen’.
Ik hield woord en hij ook.
Ik ging met een diploma van school af en ondertussen ben ik bijna zestig jaar, maar de basis van mijn leven is mede op deze school gelegd.

De Tuinbouwschool kon nooit wat worden
Op de LTS stond mijn naam met regelmaat op de borden
Met stenen ging de grote taart kapot
Niet alleen de taart maar ook de ramen gingen aan gort

De daders waren kameraden
Daarom werd niemand verraden
De directeur beet van nijd zijn sigaar kapot
Hij dreigde en schold ons verrot

Hij kreeg ons niet klein en zoals verwacht
Werd de hele klas ‘hard’ aangepakt
Als bonus werden we allemaal geschorst
Vanwege gebrek aan bewijs, een week van school verlost

Na één dag in het nieuwe schooljaar 
Was ik er helemaal mee klaar
Ik ben toen bijna een heel jaar niet op school geweest
Alleen de laatste week was ik er het meest

Ik werd zelfs niet van school gegooid
Maar er werd gezegd dat ik ‘netjes’ klas drie had voltooid 

In klas vier ben ik nooit meer afwezig geweest
En aan het eind van mijn jeugd werd er trots met een diploma gefeest



Heb je genoten van dit verhaal, lees mijn boek dan eens. De opbrengsten van het boek gaan naar de YWC KLINIEK. 
Het boek is te bestellen op:

https://www.boekenbestellen.nl/boek/toon-de-woordenbende/31401